De HEERE deed na de voorafgaande gezichten den profeet een
korf met zomervruchten zien.
Hij heeft het aan Amos noch aan een onzer overgelaten van dit gezicht de
beteekenis vast te stellen. God-Zelf deed het met deze woorden: "Het
einde is gekomen over Mijn volk Israël."
Het gericht Gods stond voor de deur: de Assyriër zou Efraïm, de Babyloniër zou Juda wegvoeren in ballingschap! Dood en verderf zouden hun werk doen; de vreugdezangen zouden verstommen!
Het niemand en niets ontziende woord van den Godsgezant heeft de noodtoestanden blootgelegd. De gruwelijkste ongerechtigheden werden bedreven, terwijl men tegelijkertijd vasthield aan de heilige inzettingen: nieuwe maan en sabbat. Er werd geknoeid met de efa, met de prijzen, met het gewicht, en de arme werd als koopwaar verhandeld. Over de geheele linie was er bedrog. Zou God, de Heilige Israëls, zulks kunnen gedoogen?
Op ontstellende wijze wordt het Godsgericht door de verzen 8
tot 14 geteekend. Het meest ontroerende is misschien nog wel de begeerte naar
een woord Gods, als het niet meer te vinden zal zijn!
Die God verlaat, heeft smart op smart te vreezen!
Hoe ernstig is deze roepstem ook voor ons, levende in een
tijd van corruptie, waarin men, als weleer, handhaven wil, wat op zichzelf de
hoogste waarde heeft, doch krachteloos wordt gemaakt door al wat er rechtstreeks
mee in strijd is!
God ziet het wezen aan.
Hij moet Zich afwenden van wat een gedaante van godzaligheid is, als de kracht
ervan verloochend wordt. En tot den getrouwe zegt Hij dan ook: "Wend u van
dezen af!"
J. T.
![]() |