VERDEELDHEID

Jst. DE JAGER

ZONDAGMORGEN HALF TIEN.

Heer Jezus, we mogen naar U toe! U nodigt ons uit, iedere keer weer opnieuw.

Bij het wegrijden zien we meerderen die U door Uw bloed hebt gekocht. Ook zij rijden weg ... een andere kant op! Heer, waarom die verdeeldheid? We kennen ze als volgelingen van U. We zijn één met hen, in U. Maar op zondag lijkt het zo anders. We zouden zo graag één met hen samen bij U zijn, samen met hen het brood breken, de beker drinken; we zijn toch één, Heer? Als óns hart pijn doet, hoe moet U dat dan voelen? Al de Uwen, daar op zondagmorgen, rijdend naar hún bestemming. Waarom rijdt iedereen een andere kant op? Heer, we weten wel dat uw Woord het voorzegd heeft, maar het kost ons zo'n moeite dat te accepteren, om daar 'vrede' mee te hebben. Of wilt U niet dat we daar 'vrede' mee hebben?

Heer, misschien wilt U wel dat we ze missen, die andere gelovigen, iedere keer weer als we bij elkaar zijn, rondom U.

U mist ze toch ook? U had hen toch óók uitgenodigd ... en ze zijn er niet. Dat ene brood, dáár horen ze bij. 'Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan één brood', zegt Uw dienstknecht Paulus.

Heer, zij zijn niet hier om deel te hebben aan dit brood. Staan wij ze misschien in de weg? Misschien kunt U nog velen bereiken, door verdeeldheid heen. Misschien wilt U onze harten wakker schudden en ons Uw gedachten laten zien over die verdeeldheid. Heer, geef ons alstublieft een grote dosis liefde tot hen, opdat we, als we er één van hen ontmoeten iets kunnen zeggen en tonen (nee, andersom, tonen en zeggen).

O, Heer, we bidden U, dat wij niet mee helpen de verdeeldheid in stand te houden. Help ons om naar hen toe te gaan, hen op te zoeken, te proberen hen te winnen. Help ons om allereerst onze eigen tekortkomingen te zien, en niet de hunne; help ons nederig te zijn tegenover hen.

U weet hoe zwak we zijn, maar laten we alstublieft niets méér willen en ook niets minder, dan met al de uwen zo samen te komen. Heer, bewaar en help ons. Amen.