VEROOTMOEDIGING: ETEN VAN HET ZONDOFFER

(slot)

Lev. 6:24-30; 10:17vv.

 

H. P. MEDEMA

 

Ezra, Nehemia, Daniël

Een indrukwekkend voorbeeld van échte verootmoediging vinden we bij Ezra. Het volk had gezondigd, heel ernstig zelfs: de heiligheid en afzondering die God bij de zijnen wil zien hadden ze niet in acht genomen (Ezra 9). Eigenlijk had het volk als zodanig zich moeten verootmoedigen, en een zondoffer moeten brengen, maar Ezra treft hiertoe niet de minste voorbereidselen, hoewel hij dat als priester én als verantwoordelijke leider zeker had kunnen doen, nu hij eenmaal zelf zich diep bewust was van de ernst van de toestand. Ook daarin ligt een belangrijke les: wat ik zélf als kwaad onderken, mag ik nog niet op het geweten van de hele geloofsgemeenschap leggen, maar de oprechtheid van mijn houding zou dat wel kunnen bewerken.

Ezra doet iets anders: 'Toen ik dit vernam, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel, trok de haren uit mijn hoofd en uit mijn baard, en zat verbijsterd neer; en tot mij kwamen samen allen die beefden voor de woorden van de God van Israël, wegens de trouwbreuk der ballingen, maar ik bleef verbijsterd neerzitten tot het avondoffer. Tijdens het avondoffer echter stond ik op uit mijn verootmoediging, en met gescheurd kleed en gescheurde mantel knielde ik, breidde mijn handen uit tot de Here, mijn God, en zeide: Mijn God, ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel' (vs. 3-6). Hij zegt niet 'zij', maar hij zegt 'wij' en 'ik'. Hij zegt ook niet 'wij' terwijl hij eigenlijk 'zij' bedoelt zoals soms preken op geraffineerde wijze in gebeden verstopt zitten. Nee, Ezra meent het echt. Hij schaamt zich. Hij is verantwoordelijk, als Israëliet, als voorganger, als priester. Hij heeft gefaald. Zijn verootmoediging is echt, zó echt dat ze aanstekelijk werkt: al heel spoedig komen bij hem 'állen die beefden voor de woorden van de God van Israël' (vs. 4) en nog later 'een zeer grote schare uit Israël, mannen, vrouwen en kinderen, want het volk was in luid geween uitgebarsten' (10 : l).

In Nehemia 9 wordt ook zo'n voorbeeld van waarachtige gezamenlijke verootmoediging beschreven.

Bij Daniël was het niet anders. Aan de bewoordingen van zijn ootmoedige gebed voegt hij zelfs nadrukkelijk toe dat hij niet alleen de zonde van zijn volk Israël beleed, maar zijn eigen zonde (9: 20). Nee, Daniël maakte zich niet één met zonden waaraan hij geen deel had; hij beleed de zonden van het geheel waarvan ook hij deel uitmaakte en waarin hij zich verantwoordelijk wist.

 

De zondoffermaaltijd: een voorrecht!

Wat Ezra, Nehemia en Daniël deden, was dus strikt genomen iets ánders dan 'het zondoffer eten'. Verootmoediging over persoonlijk én gemeenschappelijk falen vereist zeker een geestelijke gezindheid. Maar misschien moeten we zeggen dat dat voor het ‘eten van het zondoffer' nog wel in veel sterkere mate geldt. Dat is een voorrecht voor 'geestelijke' mensen (Gal. 6 : l), voor 'priesters'. Een voorrecht? jazeker, een voorrecht. Als wij zonden die temidden van ons aan het licht komen op zo'n wijze 'afhandelen', dat daardoor degene die gezondigd heeft hersteld wordt, én dat de Heer Jezus in zijn Persoon en werk groter voor ons wordt, dan is dat een geweldige geestelijke winst. We kijken dan niet meer met een schuin oog neer op onze broeder of zuster die gezondigd heeft, maar we kijken vol bewondering omhóóg naar de Heer Jezus, die immers zó groot is dat Hij ook in déze nood kon voorzien. 'Dit zal voor u zijn ... al hun zondoffers ... die zullen voor u en uw zonen zijn ... het zal u iets heiligs zijn' (Num. 18 :9-10; vgl. Ezech. 44 : 28-30).

Als wijzelf deel hebben aan enige zonde, en we vinden herstel, dan past slechts het vuur: het zondoffer moet met vuur verbrand worden. Op zonde in onszelf behoren wij slechts het meedogenloze vuur van Gods oordeel toe te passen; op zonde in een broeder, nadat hij hersteld is, reageren wij op priesterlijke, geestelijke wijze, door niet naar hém te kijken, maar naar de Heer Jezus.

 

De verbrande bok van het zondoffer

Helaas reageren wij niet altijd zo geestelijk als de Heer van ons verwacht. De korte geschiedenis die in Lev. 10 : 16v. staat, is vaak ook op ons van toepassing: 'En Mozes zocht ijverig naar de bok van het zondoffer, maar zie, hij was verbrand. Toen werd hij toornig op Eleazar en Itamar, de overgebleven zonen van Aäron, en zeide: Waarom hebt gij het zondoffer niet op de heilige plaats gegeten? Want het was allerheiligst, en Hij gaf u dit om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen en over hen verzoening te doen voor het aangezicht des Heren. Zie, het bloed daarvan is niet binnen in het heiligdom gebracht; gij hadt het immers in het heiligdom moeten eten, zoals ik geboden had' (vs. 16-18).

Verbranden van de bok van het zondoffer zou een goede handelwijze zijn als het om eigen zonde ging. Zo is het ook in de geestelijke toepassing: als wij zélf gezondigd hebben, past het ons alleen maar het meedogenloze vuur van Gods oordeel daarover te laten gaan. Maar hier betrof het niet een zonde van Eleazar, Itamar of Aäron zelf. Waarom hadden ze dan niet van het zondoffer gegeten? Waarom hadden ze zich niet met priesterlijke gevoelens voor Gods aangezicht met het zondoffer beziggehouden? Mozes was er boos over. Niet het vuur van Gods oordeel, maar het oefenen van priesterlijke gevoelens was hier op zijn plaats geweest.

Zo gaat het helaas ook bij ons nogal eens. Ons eigen zondoffer met vuur verbranden gaat ons niet zo gemakkelijk af; het zondoffer van een ander geven wij veel éérder aan het oordeel prijs. Voor zonden in onszelf zijn wij vaak nogal barmhartig, tegenover zonden bij anderen meedogenloos hard. Dat moet niet! Het moet precies andersom. 'Hebt zout in uzelf, en, houdt vrede onder elkaar' heeft de Heer Jezus gezegd (Mark. 9 : 50). Eleazar en Itamar hadden de bok van het zondoffer (zie Lev. 9 : 15) moeten eten op een allerheiligste plaats.

Het antwoord van Aäron is dan overigens heel eerlijk: 'Toen sprak Aäron tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht des Heren gebracht, en zulke dingen zijn mij overkomen; indien ik heden zondoffer gegeten had, zou dat goed geweest zijn in de ogen des Heren? Toen Mozes dit hoorde, was het goed in zijn ogen' (vs. 19,20). Aäron zegt tegen Mozes: maar dat kón toch niet? hoe kon ik nu in deze situatie priesterlijke gevoelens opbrengen om het zondoffer te eten, na de vreselijke dingen die gebeurd zijn? Daarmee doelt hij op de zonde van Nadab en Abihu, die vreemd vuur voor het aangezicht van Jahweh gebracht hadden. Hoe hem die gebeurtenissen ontzaglijk zwaar op het hart liggen blijkt uit zijn bewoordingen: 'zulke dingen zijn mij overkomen' zegt hij, zonder ze bij name te durven noemen. Mozes had daar begrip voor. Aäron was zélf in zijn eigen geweten niet vrij. Het was dan wel niet zijn eigen zonde, maar hij was met de hele situatie zózeer verbonden dat hij zich niet vrij voelde voor Jahweh om het zondoffer te eten. Voor zijn eigen gevoel had hij een aandeel in alles wat er gebeurd was. Aäron was daarmee niet op het hoge niveau waarop hij zich zou moeten bevinden, maar eerlijk en oprecht was hij hierin wél.

Misschien moeten wij ook wel heel vaak, net als Aäron, erkennen dat wij aan het 'eten van het zondoffer' niet toekomen, dat we allereerst de hand in eigen boezem moeten steken, omdat we zélf een aandeel hebben in het falen van het volk van God. Dat is zwak, zeker; er is alle reden om ons erover te schamen. Maar laten we, net als Aäron, onze zwakheid dan maar eerlijk erkennen. Dat is beter dan ons falen te verstoppen in woorden van verootmoediging die tóch niet waarachtig zouden zijn. Voor oprecht beleden falen en zwakheid is er genade; voor huichelachtige vroomheid niet. Laten ook wij, net als Aäron, ons waarachtig, voor Gods aangezicht, verootmoedigen.