J.G. Fijnvandraat
De poort, de deur, van de voorhof is 10 meter breed. Dit is heel wat breder dan een huisdeur, of een kerkdeur. Deze deur wordt niet op een bepaalde tijd geopend om mensen binnen te laten, om vervolgens gesloten te worden, als de godsdienstoefening begint. Nee, deze brede deur staat altijd open. God nodigt zijn volk uit om binnen te komen, om Hem te dienen. De toegang is ruim, de toegang is vrij! Van 's morgens tot 's avonds kan iedere Israëliet bij God komen om Hem te dienen.
De deur is gemaakt van wit, fijn linnen. De kleuren van de deur zijn blauw, purper en scharlaken. Wit, fijn linnen spreekt van reinheid en gerechtigheid. Blauw spreekt van de hemel; purper en scharlaken zijn de kleuren van koninklijke majesteit. Bij deze deur mogen wij denken aan de Heer Jezus. Hij heeft gezegd: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Joh. 14:6). Zijn volmaakte mensheid, zijn Goddelijkheid en zijn koninklijke waardigheid worden door deze kleuren aangegeven.
Deze deur spreekt eigenlijk niet van de toegang van een
zondaar tot God. In verband daarmee wordt er gesproken van een nauwe of enge
poort en een smalle weg (Matth.7:13,14).
De deur van de bekering is zo nauw, dat een zondaar er alleen persoonlijk door
kan gaan. Men kan niet samen, bij wijze van spreken arm in arm, naar binnen
gaan. De toegang tot de tabernakel spreekt ervan dat het volk van God een ruime
toegang heeft om God te dienen.
Als een Israëliet met een offerdier door de poort is gegaan
dan bevindt hij zich in de voorhof. Nu moet hij aan de priester vertellen, wat
voor offer hij komt brengen. Daarvan hangt namelijk af hoe het dier geofferd zal
worden. Bijvoorbeeld bij een brandoffer wordt het hele dier op het altaar
gebracht, behalve de huid. Het hele offerdier wordt verbrand, tot eer van God.
Maar bij een zondoffer wordt alleen het vet aan God geofferd.
De Israëliet moet er dus openlijk voor uitkomen wat voor zonde hij gedaan
heeft, hij moet die zonde belijden. En voor die zonde moet een zondoffer
gebracht worden. Het kan natuurlijk ook zijn, dat hij vrijwillig een offer wil
brengen, bijvoorbeeld een brandoffer.
In beide gevallen moet hij eerst zijn handen op de kop van het dier leggen. Als hij een brandoffer brengt, betekent deze handeling dat de waarde van het offer overgaat op de Israëliet en hij dus aangenaam is voor God. Als hij een zondoffer brengt, dan gaat de schuld van de Israëliet over op het dier. Het dier wordt geofferd en daarmee word zijn schuld weggenomen.
De Israëliet moet zelf het offerdier slachten, maar hij mag het dier niet offeren. Dat is de taak van de priester. Dat gebeurt op het koperen brandofferaltaar. Dit altaar is gemaakt van hout en het is met koper beslagen. Een eerste laag koper is er bij de Sinaï op aangebracht. Later is het altaar nog eens overtrokken met een tweede laag koper, gemaakt van de vuurpannen van de 250 opstandige volgelingen van Korach (Num 16:36-40). Koper geleidt de warmte goed en daarom verschroeit het hout niet, terwijl er toch altijd vuur op het altaar brandt. Op dat altaar wordt elke morgen en avond een algemeen offer gebracht, daarbij komen nog de vele persoonlijke offers.
De afmetingen van dit altaar zijn: 2 1/2 bij 2 1/2 bij 1 1/2
meter.
Dit altaar moet zo groot zijn, want een hele stier moet erop geofferd kunnen
worden en soms worden veel offers tegelijk gebracht.
Aan de vier hoeken van het altaar bevinden zich horens. Deze horens deden wel
dienst om de offerdieren eraan vast te maken (Psalm 118:27).
Ook konden mensen ze vastgrijpen. De horens dienden dan als een tijdelijke
vrijplaats (1 Kon. 1:50; 2:28).
Maar deze horens hebben ook een symbolische betekenis. Een horen spreekt van kracht. Aan die horens wordt het bloed van de zondoffers gestreken. En bloed spreekt van verzoening. Een horen met bloed ziet dus op de kracht van de verzoening. Dat deze horens zich bevinden aan de vier hoeken van het altaar, kan heenwijzen naar de vier windstreken. Met andere woorden: de verzoening strekt zich uit tot de hele wereld.
Het eigenlijke offerwerk wordt verricht door de priesters.
Alle mannelijke nakomelingen van Aäron zijn priesters. Op ca. 30 jarige
leeftijd wordt zo iemand tot priester gewijd door een rituele wassing, die eens
voor altijd geldt. Die hoeft nooit meer herhaald te worden. Wel moet de priester
regelmatig zijn handen en voeten wassen in het koperen wasvat om zijn dienst te
kunnen verrichten in het heiligdom.
Bij de voetwassing zegt de Heer Jezus tegen Petrus: 'Wie gebaad is, heeft alleen
nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein' (Joh. 13:10). Wij
mogen aannemen, dat Christus hier denkt aan de priesterwijding, waarbij de
priester gereinigd en geheiligd wordt, om als priester te kunnen optreden.
Iedereen die in Jezus Christus gelooft, is gereinigd om priester te zijn. Maar
als gelovigen worden wij beïnvloed door deze wereld. Daarom is het nodig, dat
wij onze voeten ('onze wandel') laten reinigen door het Woord van God.
Enerzijds zegt de Heer Jezus: "U bent al rein om het woord dat Ik tot u heb
gesproken" (Joh.15:3). Dat is onze positie.
Anderzijds lezen wij dat Christus zijn gemeente voortdurend reinigt door de
wassing met water door het Woord (Ef. 5:26). Dat heeft te maken met onze
levenspraktijk.
De priesters moeten hun handen en voeten wassen in het koperen wasvat, dat ook in de voorhof staat. Dit wasvat is gemaakt van de spiegels van de vrouwen die allerlei (schoonmaak) werkzaamheden verrichten bij de ingang van de tabernakel. De spiegels waren toen namelijk niet gemaakt van glas (de kunst van het glas maken dateert pas uit de middeleeuwen), maar van koper, dat net zo lang gepolijst is, totdat men zich erin kan zien. Het waren kostbare voorwerpen. De vrouwen hebben echter zoveel liefde voor God, dat zij deze spiegels afstaan voor de inrichting van de tabernakel. Deze spiegels die eerst dienden om lichamelijke schoonheid te bevorderen, dienen nu om de priesters schoon te doen zijn voor de dienst van God.
(Natuurlijk hebben de vrouwen zich later wel weer spiegels aangeschaft. Het gebruik ervan is niet verboden).
Nu zijn wij gekomen bij de eigenlijke woning van God. Deze woning bestaat uit twee vertrekken, namelijk het heilige en het heilige der heiligen. In het heilige vinden wij het gouden reukofferaltaar, de gouden kandelaar en de tafel met toonbroden. In het heilige der heiligen bevindt zich de ark met het verzoendeksel. Dit is de plaats waar God woont in het midden van zijn volk.
Deze woning (eigenlijk: 'tentwoning') bestaat uit totaal 48 planken. Elke plank is 5 m. hoog en 75 cm. breed. De dikte zal minimaal 10 cm. geweest zijn. Er zijn 2 keer 20 planken in de lengtezijden en 8 (waarvan 2 hoekplanken) in de breedtezijde, aan de westkant. Aan de oostkant is de ingang, daar staan 5 pilaren met koperen voeten. Tussen het heilige en het heilige der heiligen staan 4 pilaren met zilveren voeten.
![]() |